vrijdag 20 februari 2015

Quest 2 Toekomstscenario

Het schetsen van vier toekomstscenario’s voor het HBO kent een aantal zekere maar ook onzekere factoren. Zekerheden, zoals demografische ontwikkelingen met de aankomende vergrijzing, de globalisering, waarbij beroepen steeds meer samenwerken en de blik internationaal gericht is. Kennis dat het belangrijkste exportproduct is en de 21ste century skills als handvatten voor het functioneren in de toekomst. Maar ook onzekerheden als mondiale machtsverhoudingen en de invloed daarvan op internationale veiligheid en stabiliteit, economische en financiële ontwikkelingen. De scenario’s zijn geschetst uitgaande van twee drijvende krachten binnen de trend veranderende levenswijze. Als uitersten van de drijvende krachten zijn collectivisme en individualisme, life long learning en afgebakend leerproces.
In alle toekomstscenario’s, 2030,  functioneren docenten op masterniveau. Daartoe zijn of diploma’s behaald of is in het kader van leven lang leren aangetoond dat competenties op masterniveau eigen zijn gemaakt.

De 4 scenario’s vertonen de volgende karakteristieken:
   1.  Het leven is een groot leerproces in de vorm van een ontdekkingstocht.
 2. Binnen het werken als professional staat vakmanschap voorop.
 3. Werken aan professionaliteit wordt versterkt door verbondenheid.
 4. Leren is als reizen samen met anderen waardoor de beleving intenser wordt. 


                                               
                                                                

Scenario 1, ontdekken
Mensen leren niet meer voor een loopbaan maar voor het leven (Nationaal Expertisecentrum Leerplanontwikkeling, 2014). Er is sprake van een flexibele arbeidsmarkt. Dit vraagt veerkracht en beweeglijkheid van de werknemer (Onderwijsraad, 2014b). Het curriculum van het HBO is hier op  afgestemd; de opbouw van het curriculum bevordert flexibiliteit binnen het latere werkzame leven. Daarbinnen speelt ICT een prominente rol. De 21ste eeuw heeft geleerd dat ICT niet alleen een informatiebron is, maar ook onderdeel van leef- en werkwijze, waarin zelfstandigheid, zelfsturing, netwerken, en interactief leren mogelijk is (Kessels, 2013). De lerende is in staat tot kritisch denken, heeft een creatief probleemoplossend vermogen en geeft zelf sturing aan zijn leerproces. Hoe groter de zelfsturing, hoe meer motivatie tot leren en werken (Ryan & Deci, 2000).
Het HBO kent een basisopleiding voor meerdere richtingen binnen elke sector. Na de basis vindt specialisatie plaats. Dit gebeurt met name op de werkplek. Leren vindt niet alleen formeel maar ook informeel plaats, waardoor er geen duidelijke grens meer is tussen de opleiding en de werkplek. Beide vormen van leren lopen in elkaar over (Arets, 2009). Het werkveld is dan ook nauw betrokken bij het HBO. Nieuwe media maken het mogelijk dat de lerende zelf bepaalt wanneer en waar hij leert. Dit betekent dat grenzen vervaagd zijn en onderdelen van het curriculum bij opleidingen elders gevolgd kunnen worden. Digitaal leren en werkplekleren hebben tot gevolg dat een beperkt aantal kleine gebouwen met veel open ruimtes de plaats hebben ingenomen van de vele grote schoolgebouwen uit het begin van deze eeuw. Er is geen sprake van een vaste studieduur (Vandenbosch, 2014). De student bepaalt zelf wanneer hij studieonderdelen afrondt. Diploma’s zijn vervangen door een digitaal portfolio, waarin de opgedane kennis, vaardigheden en verworven competenties vermeld staan. De docent heeft zich inmiddels ontwikkeld naar Fins voorbeeld met aandacht voor vakmanschap, voldoende autonomie en professionele ruimte (Kessels, 2013). Hij is de coach die de lerenden vraaggestuurd ondersteuning geeft in hun leerproces.

Scenario 2, vakmanschap
Nu, in 2030, kent het HBO nog altijd veel verschillende opleidingen binnen alle sectoren. De opleidingen hechten aan de eigen identiteit. Studenten maken zich competenties eigen om binnen de toekomstige baan de ontwikkelingen te kunnen volgen. Elke student heeft de mogelijkheid een individueel leertraject te volgen, waarin hij de competenties verwerft gerelateerd aan zijn toekomstige werksituatie (Vandenbergh, 2014). Studenten beschikken aan het einde van hun leertraject over generieke vaardigheden, waardoor het probleemoplossend vermogen is toegenomen, maar de specifieke vakmatige competenties zijn het belangrijkste (Van Lieshout, 2014).
Studenten leren wel zelf sturing te geven aan hun leerproces. Routinematig werken is immers helemaal verdwenen en dus dient eigen vakbewaamheid wel up-to-date gehouden te worden. Er wordt niet snel van baan gewisseld, maar binnen de eigen baan blijven de werknemers wel op de hoogte van alle ontwikkelingen (Onderwijsraad, 2014a). Het leren is veranderd van extern naar intern leren, het leren-on-the-job. Het vindt plaats in authentieke situaties, waarbij teruggekeerd is naar de meester-gezel relatie. Lerenden hoeven niet naar school, digitaal vindt individueel overleg plaats met de docent. Hierdoor is een schoolgebouw overbodig. Op de werk- tevens leerplek neemt de praktijkbegeleider de taken van de docent over. De verbondenheid tussen het werkveld en de opleidingen is steeds groter geworden. Samen dragen ze zorg voor het eindniveau van de opleiding en daarmee voor de kwaliteit van het diploma.  

Scenario 3, verbondenheid
In het HBO heeft een kwaliteitsverbetering plaatsgevonden. Het onderwijs kent meerdere opleidingen binnen de sectoren. Elke sector heeft een gemeenschappelijk landelijk opleidingsprofiel. Er is sprake van vaste studieduur per opleiding (HBO-raad, 2012). Echte leervakken zijn weer centraler gesteld (WRR, 2013). En elke sector kent een gemeenschappelijke  kennisbasis (HBO-raad, & OCW, 2011). Iedere opleiding maakt structureel gebruik van landelijke toetsen. Externe validering borgt de kwaliteit van het eindniveau en is binnen elke opleiding gemeengoed (HBO-raad, 2012). De docent is coach, die vanuit zijn eigen autonomie samen met de studenten sturing geeft aan het leerproces (Kessels, 2013). Het gevolg is dat we hoger scoren op de ranglijst van PISA ten opzichte van de eerste vijftien jaar van deze eeuw. Uitstroom in het HBO vindt plaats op meerdere niveaus: associate degree, bachelor en master en is duidelijk afgestemd met de arbeidsmarkt. Onderwijs vindt voor een groot deel plaats in authentieke situaties, het leren op de werkplek. Gebleken is dat met name het leren in een authentieke situatie een geweldige impuls geeft aan het leerproces. Opleiding en beroepspraktijk zijn dan ook nauw met elkaar verweven (Meijers & Den Brok, 2013). Daarnaast vinden bijeenkomsten plaats in kleinere schoolgebouwen. HBO-opleidingen kennen veel praktische vaardigheden. Gebleken is in de loop der jaren dat fysieke aanwezigheid en het samen oefenen van deze vaardigheden een must is gebleven in het onderwijs. Lerenden werken samen met anderen om tot het oplossen van problemen te komen. Ook worden sociale verbindingen bevordert (Kessels, 2013). Sociale netwerken zijn voor de huidige lerenden belangrijk (Boschma & Groen, 2012). Competenties op het gebied van samenwerken met verschillende groepen en mensen uit verschillende culturen krijgt volop de aandacht. Ict en nieuwe media zijn onlosmakelijk met het onderwijs verbonden. Afgelopen jaren is gebleken dat het onderwijs heeft gekozen voor blended learning, informatie die beschikbaar is via het web gecombineerd met de fysieke aanwezigheid tijdens onderwijs met echte interactie met docenten in kleinschalige setting (Meijers & Den Brok, 2013).

Scenario 4, reizen
De maatschappij heeft zich nu, in 2030, ontwikkeld tot een volwaardige participatie maatschappij. Solidariteit en loyaliteit zijn belangrijke begrippen. Evenals communicatie en samenwerking. De arbeidsmarkt is flexibel. Dit heeft gezorgd voor brede opleidingen. Eerst een algemene basis, waarna de opleiding beroepsspecifiek wordt. Binnen het HBO zijn een beperkt aantal sectoren met binnen elke sector meerdere uitstroomrichtingen. Naast vakspecifieke vakken ligt de focus op generieke vaardigheden, waardoor de lerende in staat is zich te handhaven in een voortdurend veranderende maatschappij en gedurende zijn leven blijft leren. De lerende geeft zelf sturing aan zijn leerproces, volgt de nieuwe ontwikkelingen en anticipeert hier op. Echte leervakken zijn weer centraler gesteld (WRR, 2013). Afstandsonderwijs wordt gecombineerd met klassikaal onderwijs. Naast het individueel leren wordt binnen het HBO collectief geleerd (Wierdsma & Swieringa, 2011). Juist het leren van en met elkaar heeft een positieve invloed op het leerproces (Simons &  Bolhuis, 2011). Een grote verscheidenheid binnen een groep studenten bevordert elkaars leerproces. Elke student zet binnen de klas zijn eigen leertraject uit, geholpen door medestudenten. Peers geven elkaar feedback en beoordelen elkaar. Dit wordt meegenomen in het digitaal portfolio dat melding maakt van een doorlopende leerlijn. De rol van de docent wordt meer gezien als een coach. Het behoud van kleinschaligheid binnen het directe contact in het onderwijs staat voorop. Lerenden zijn zelf betrokken bij het vormgeven van het onderwijs. Cognitieve vaardigheden, zoals het opzoeken van informatie is van karakter veranderd. ICT en nieuwe media maken dan ook een belangrijk deel uit van het onderwijs, maar de persoonlijke interactie en uitwisseling van kennis tussen docenten en studenten is gebleven, ondanks de andere verwachtingen aan het begin van de eeuw. Gebleken is dat dit toch nodig is voor het ontstaan van begrip en inzicht (Meijers & Den Brok, 2013). Docenten hebben minimaal masterniveau, waarbij een duidelijk onderscheid is tussen docenten die zich primair bezighouden met onderwijstaken en docenten bij wie de focus op het onderzoek ligt (WRR, 2013).



Mijn voorkeur gaat uit naar scenario 1. Een leven lang leren is in de toekomst met alle snelle technologische ontwikkelingen en maatschappelijke veranderingen niet weg te denken. Het individu staat centraal waardoor binnen het leren een enorme differentiatie mogelijk is en de individuele talenten optimaal benut kunnen worden. Naast het toegenomen individualisme speelt samenwerking, waarbij sprake is van een grote verscheidenheid aan culturen, een belangrijke rol. In mijn optiek biedt dit scenario enorme mogelijkheden qua onderwijs.






Literatuur

Arets, J. (2009). Formeel leren is het einde…..Leren in organisaties, 12, 35-39

Boschma, J. & Groen, I. (2012). Generatie Einstein: slimmer sneller en socialer. Amsterdam: Pearson.

HBO-raad. (2012). Vreemde ogen dwingen: Eindrapport Commissie externe validering examenkwaliteit hoger beroepsonderwijs. Den Haag: Author.

Kessels, J. (2013). Toekomst van het onderwijs in Vlaanderen: De school- een aantrekkelijke plek voor leren en werken in 2013?. Op 18 februari 2015 opgehaald van http://doc.utwente.nl/88499/1/NL-Toekomst_Onderwijs_Kessels_2013.pdf

Meijers, A., Den Brok, P. (2013). Ingenieurs voor de Toekomst: Een essay over het onderwijs aan de TU/e in 2030. Eindhoven: Technische Universiteit Eindhoven.

Nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling. (2014). Leerplan voor het funderend onderwijs voor de toekomst: Een verkennende notitie. Enschede: Author.

Onderwijsraad. (2014a). Een eigentijds curriculum. Den Haag: Author.

Onderwijsraad. (2014b). Meer innovatieve professionals. Den Haag: Author.

Ryan, R., & Deci, E. (2000). Self-determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development and well being. American Psychologist, 55, 68-78.

Simons, P.R.J., & Bolhuis, S. (2011). Naar een breder begrip van leren. In J. Kessels & R. Poell (red.), Human resource development: Organiseren van het leren (pp. 63-86). Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Vandenbosch, H. (2014). Competentiegericht opleiden maakt een vaste studieduur overbodig. Op 20 februari opgehaald van http://hmjvandenbosch.com/2014/12/24/competentiegericht-opleiden-maakt-een-vaste-studieduur-overbodig/

Van Lieshout, H. (2014). Hoe hogescholen de werknemer van de toekomst creëren. Op 20 februari opgehaald van http://www.hbo2025.nl/wp-content/uploads/2014/05/Essay-dr.-Harm-van-Lieshout.pdf

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. (2013). Naar een lerende economie. Op 18 februari opgehaald van http://www.wrr.nl/publicaties/publicatie/article/naar-een-lerende-economie-1/

Wierdsma, A., & Swieringa, J. (2011). Lerend organiseren en veranderen: Als meer van hetzelfde niet helpt. Groningen: Noordhoff. 
                                                                                      

1 opmerking:

  1. Hallo Myriam,

    Puik stukje werk. Mooi en krachtig omschreven!!!
    Duidelijke en relevante bronnen ingezet.

    BeantwoordenVerwijderen