Het schetsen van vier toekomstscenario’s voor het HBO
kent een aantal zekere maar ook onzekere factoren. Zekerheden, zoals demografische ontwikkelingen met de aankomende vergrijzing,
de globalisering, waarbij beroepen steeds meer samenwerken en de blik
internationaal gericht is. Kennis dat het belangrijkste exportproduct is en de
21ste century skills als handvatten voor het functioneren in de
toekomst. Maar ook onzekerheden als mondiale machtsverhoudingen en de invloed
daarvan op internationale veiligheid en stabiliteit, economische en financiële
ontwikkelingen. De scenario’s zijn geschetst uitgaande van twee drijvende
krachten binnen de trend veranderende levenswijze. Als uitersten van de
drijvende krachten zijn collectivisme en individualisme, life long learning en
afgebakend leerproces.
In alle toekomstscenario’s, 2030, functioneren docenten op masterniveau. Daartoe
zijn of diploma’s behaald of is in het kader van leven lang leren aangetoond
dat competenties op masterniveau eigen zijn gemaakt.
De 4 scenario’s vertonen de volgende karakteristieken:
1. Het leven is een groot leerproces in de vorm van
een ontdekkingstocht.
2. Binnen het werken als professional staat vakmanschap voorop.
3. Werken aan professionaliteit wordt versterkt door verbondenheid.
4. Leren is als reizen samen met anderen waardoor de beleving intenser wordt.
2. Binnen het werken als professional staat vakmanschap voorop.
3. Werken aan professionaliteit wordt versterkt door verbondenheid.
4. Leren is als reizen samen met anderen waardoor de beleving intenser wordt.
Scenario 1, ontdekken
Mensen leren niet meer voor een loopbaan maar voor het leven
(Nationaal Expertisecentrum Leerplanontwikkeling, 2014). Er is sprake van een
flexibele arbeidsmarkt. Dit vraagt veerkracht en beweeglijkheid van de
werknemer (Onderwijsraad, 2014b). Het curriculum van het HBO is hier op afgestemd; de opbouw van het curriculum
bevordert flexibiliteit binnen het latere werkzame leven. Daarbinnen speelt ICT
een prominente rol. De 21ste eeuw heeft geleerd dat ICT niet alleen
een informatiebron is, maar ook onderdeel van leef- en werkwijze, waarin
zelfstandigheid, zelfsturing, netwerken, en interactief leren mogelijk is
(Kessels, 2013). De lerende is in staat tot kritisch denken, heeft een creatief
probleemoplossend vermogen en geeft zelf sturing aan zijn leerproces. Hoe
groter de zelfsturing, hoe meer motivatie tot leren en werken (Ryan & Deci,
2000).
Het HBO kent een basisopleiding voor meerdere richtingen binnen
elke sector. Na de basis vindt specialisatie plaats. Dit gebeurt met name op de
werkplek. Leren vindt niet alleen formeel maar ook informeel plaats, waardoor
er geen duidelijke grens meer is tussen de opleiding en de werkplek. Beide
vormen van leren lopen in elkaar over (Arets, 2009). Het werkveld is dan ook
nauw betrokken bij het HBO. Nieuwe media maken het mogelijk dat de lerende zelf
bepaalt wanneer en waar hij leert. Dit betekent dat grenzen vervaagd zijn en
onderdelen van het curriculum bij opleidingen elders gevolgd kunnen worden. Digitaal
leren en werkplekleren hebben tot gevolg dat een beperkt aantal kleine gebouwen
met veel open ruimtes de plaats hebben ingenomen van de vele grote
schoolgebouwen uit het begin van deze eeuw. Er is geen sprake van een vaste
studieduur (Vandenbosch, 2014). De student bepaalt zelf wanneer hij
studieonderdelen afrondt. Diploma’s zijn vervangen door een digitaal portfolio,
waarin de opgedane kennis, vaardigheden en verworven competenties vermeld
staan. De docent heeft zich inmiddels ontwikkeld naar Fins
voorbeeld met aandacht voor vakmanschap, voldoende autonomie en professionele
ruimte (Kessels, 2013). Hij is de coach die de lerenden vraaggestuurd ondersteuning
geeft in hun leerproces.
Scenario 2, vakmanschap
Nu, in 2030, kent het HBO nog altijd veel verschillende
opleidingen binnen alle sectoren. De opleidingen hechten aan de eigen
identiteit. Studenten maken zich competenties eigen om binnen de toekomstige
baan de ontwikkelingen te kunnen volgen. Elke student heeft de mogelijkheid een
individueel leertraject te volgen, waarin hij de competenties verwerft
gerelateerd aan zijn toekomstige werksituatie (Vandenbergh, 2014). Studenten
beschikken aan het einde van hun leertraject over generieke vaardigheden,
waardoor het probleemoplossend vermogen is toegenomen, maar de specifieke
vakmatige competenties zijn het belangrijkste (Van Lieshout, 2014).
Studenten leren wel zelf sturing te geven aan hun
leerproces. Routinematig werken is immers helemaal verdwenen en dus dient eigen
vakbewaamheid wel up-to-date gehouden te worden. Er wordt niet snel van baan
gewisseld, maar binnen de eigen baan blijven de werknemers wel op de hoogte van
alle ontwikkelingen (Onderwijsraad, 2014a). Het leren is veranderd van extern naar intern leren, het
leren-on-the-job. Het vindt plaats in authentieke situaties, waarbij
teruggekeerd is naar de meester-gezel relatie. Lerenden hoeven niet naar
school, digitaal vindt individueel overleg plaats met de docent. Hierdoor is een
schoolgebouw overbodig. Op de werk- tevens leerplek neemt de praktijkbegeleider
de taken van de docent over. De verbondenheid tussen het werkveld en de
opleidingen is steeds groter geworden. Samen dragen ze zorg voor het eindniveau
van de opleiding en daarmee voor de kwaliteit van het diploma.
Scenario 3,
verbondenheid
In het HBO heeft een kwaliteitsverbetering plaatsgevonden.
Het onderwijs kent meerdere opleidingen binnen de sectoren. Elke sector heeft
een gemeenschappelijk landelijk opleidingsprofiel. Er is sprake van vaste
studieduur per opleiding (HBO-raad, 2012). Echte leervakken zijn weer centraler
gesteld (WRR, 2013). En elke sector kent een gemeenschappelijke kennisbasis (HBO-raad, & OCW, 2011).
Iedere opleiding maakt structureel gebruik van landelijke toetsen. Externe
validering borgt de kwaliteit van het eindniveau en is binnen elke opleiding
gemeengoed (HBO-raad, 2012). De docent is coach, die vanuit zijn eigen
autonomie samen met de studenten sturing geeft aan het leerproces (Kessels,
2013). Het gevolg is dat we hoger scoren op de ranglijst van PISA ten opzichte
van de eerste vijftien jaar van deze eeuw. Uitstroom in het HBO vindt plaats op meerdere niveaus:
associate degree, bachelor en master en is duidelijk afgestemd met de
arbeidsmarkt. Onderwijs vindt voor een groot deel plaats in authentieke
situaties, het leren op de werkplek. Gebleken is dat met name het leren in een authentieke situatie een
geweldige impuls geeft aan het leerproces. Opleiding en beroepspraktijk zijn dan ook nauw met elkaar verweven (Meijers & Den Brok, 2013). Daarnaast vinden
bijeenkomsten plaats in kleinere schoolgebouwen. HBO-opleidingen kennen veel praktische vaardigheden. Gebleken is in de loop der jaren dat fysieke aanwezigheid en het samen oefenen van deze vaardigheden een must is gebleven in het onderwijs. Lerenden werken samen met
anderen om tot het oplossen van problemen te komen. Ook worden sociale
verbindingen bevordert (Kessels, 2013). Sociale netwerken zijn voor de huidige
lerenden belangrijk (Boschma & Groen, 2012). Competenties op het gebied van
samenwerken met verschillende groepen en mensen uit verschillende culturen
krijgt volop de aandacht. Ict en nieuwe media zijn onlosmakelijk met het
onderwijs verbonden. Afgelopen jaren is gebleken dat het onderwijs heeft
gekozen voor blended learning, informatie die beschikbaar is via het web
gecombineerd met de fysieke aanwezigheid tijdens onderwijs met echte interactie
met docenten in kleinschalige setting (Meijers & Den Brok, 2013).
Scenario 4, reizen
De maatschappij heeft zich nu, in 2030, ontwikkeld tot een
volwaardige participatie maatschappij. Solidariteit en loyaliteit zijn
belangrijke begrippen. Evenals communicatie en samenwerking. De arbeidsmarkt is flexibel. Dit heeft gezorgd voor
brede opleidingen. Eerst een algemene basis, waarna de opleiding
beroepsspecifiek wordt. Binnen het HBO zijn een beperkt aantal sectoren met
binnen elke sector meerdere uitstroomrichtingen. Naast vakspecifieke vakken
ligt de focus op generieke vaardigheden, waardoor de lerende in staat is zich
te handhaven in een voortdurend veranderende maatschappij en gedurende zijn
leven blijft leren. De lerende geeft zelf sturing aan zijn leerproces, volgt de
nieuwe ontwikkelingen en anticipeert hier op. Echte leervakken zijn weer
centraler gesteld (WRR, 2013). Afstandsonderwijs wordt gecombineerd met
klassikaal onderwijs. Naast het individueel leren wordt binnen het HBO collectief geleerd (Wierdsma & Swieringa, 2011). Juist het leren van en met elkaar heeft een positieve
invloed op het leerproces (Simons &
Bolhuis, 2011). Een grote verscheidenheid binnen een groep studenten
bevordert elkaars leerproces. Elke student zet binnen de klas zijn eigen
leertraject uit, geholpen door medestudenten. Peers geven elkaar feedback en
beoordelen elkaar. Dit wordt meegenomen in het digitaal portfolio dat melding maakt van een doorlopende leerlijn. De rol van de docent wordt meer gezien als een coach. Het
behoud van kleinschaligheid binnen het directe contact in het onderwijs staat voorop. Lerenden zijn zelf betrokken bij het
vormgeven van het onderwijs. Cognitieve vaardigheden, zoals het opzoeken van
informatie is van karakter veranderd. ICT en nieuwe media maken dan ook een
belangrijk deel uit van het onderwijs, maar de persoonlijke interactie en
uitwisseling van kennis tussen docenten en studenten is gebleven, ondanks de
andere verwachtingen aan het begin van de eeuw. Gebleken is dat dit toch nodig is voor het ontstaan van begrip en inzicht (Meijers & Den Brok, 2013). Docenten
hebben minimaal masterniveau, waarbij een duidelijk onderscheid is tussen docenten
die zich primair bezighouden met onderwijstaken en docenten bij wie de focus op
het onderzoek ligt (WRR, 2013).
Mijn voorkeur gaat uit naar scenario 1. Een leven lang leren
is in de toekomst met alle snelle technologische ontwikkelingen en maatschappelijke
veranderingen niet weg te denken. Het individu staat centraal waardoor binnen
het leren een enorme differentiatie mogelijk is en de individuele talenten
optimaal benut kunnen worden. Naast het toegenomen individualisme speelt samenwerking, waarbij sprake is van een grote verscheidenheid aan culturen, een belangrijke rol. In mijn optiek biedt dit scenario enorme
mogelijkheden qua onderwijs.
Literatuur
Arets, J. (2009). Formeel leren is het einde…..Leren in organisaties, 12, 35-39
Boschma, J. & Groen, I. (2012). Generatie Einstein: slimmer sneller en socialer. Amsterdam: Pearson.
Boschma, J. & Groen, I. (2012). Generatie Einstein: slimmer sneller en socialer. Amsterdam: Pearson.
HBO-raad. (2012). Vreemde
ogen dwingen: Eindrapport Commissie externe validering examenkwaliteit hoger
beroepsonderwijs. Den Haag: Author.
Kessels, J. (2013). Toekomst
van het onderwijs in Vlaanderen: De school- een aantrekkelijke plek voor leren
en werken in 2013?. Op 18 februari 2015 opgehaald van http://doc.utwente.nl/88499/1/NL-Toekomst_Onderwijs_Kessels_2013.pdf
Meijers, A., Den Brok, P. (2013). Ingenieurs voor de Toekomst: Een essay over het onderwijs aan de TU/e
in 2030. Eindhoven: Technische Universiteit Eindhoven.
Nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling. (2014). Leerplan voor het funderend onderwijs voor
de toekomst: Een verkennende notitie. Enschede: Author.
Onderwijsraad. (2014a). Een
eigentijds curriculum. Den Haag: Author.
Onderwijsraad. (2014b). Meer
innovatieve professionals. Den Haag: Author.
Ryan, R., & Deci, E. (2000). Self-determination theory
and the facilitation of intrinsic motivation, social development and well
being. American Psychologist, 55,
68-78.
Simons, P.R.J., & Bolhuis, S. (2011). Naar een breder
begrip van leren. In J. Kessels & R. Poell (red.), Human resource development: Organiseren van
het leren (pp. 63-86). Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
Vandenbosch, H. (2014). Competentiegericht
opleiden maakt een vaste studieduur overbodig. Op 20 februari opgehaald van
http://hmjvandenbosch.com/2014/12/24/competentiegericht-opleiden-maakt-een-vaste-studieduur-overbodig/
Van Lieshout, H. (2014). Hoe
hogescholen de werknemer van de toekomst creëren. Op 20 februari opgehaald
van http://www.hbo2025.nl/wp-content/uploads/2014/05/Essay-dr.-Harm-van-Lieshout.pdf
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. (2013).
Naar een lerende economie. Op 18 februari opgehaald van http://www.wrr.nl/publicaties/publicatie/article/naar-een-lerende-economie-1/
Wierdsma, A., & Swieringa, J. (2011). Lerend organiseren en veranderen: Als meer van hetzelfde niet helpt. Groningen: Noordhoff.
Wierdsma, A., & Swieringa, J. (2011). Lerend organiseren en veranderen: Als meer van hetzelfde niet helpt. Groningen: Noordhoff.
Hallo Myriam,
BeantwoordenVerwijderenPuik stukje werk. Mooi en krachtig omschreven!!!
Duidelijke en relevante bronnen ingezet.